J.B. van Heutszkazerne, Oudestraat 216, Kampen


Huidige toestand

Na een jarenlange leegstand is de kazerne in 2016 weer in gebruik genomen als verzamelgebouw onder de naam De Stadskazerne. Een flink deel van het hoofdgebouw is gebruik genomen door de bibliotheek. Andere gebruikers zijn het stadsarchief. RTV IJsselmond heeft een onderkomen gevonden op de zolderverdieping. Helemaal gevuld is het gebouw niet. Er is sprake van dat eigenaar deltaWonen er een woonwinkel zal openen en dat de plaatselijke redactie van De Stentor er onderdak zal vinden.
Om deze partijen te kunnen huisvesten is de kazerne aan de binnenkant grondig verbouwd. Verdiepingsvloeren zijn doorbroken om nieuwe trappen te kunnen plaatsen, er is een lift geïnstalleerd en gestucte muren zijn kaal gemaakt tot op de bakstenen. Om grotere overspanningen mogelijk te maken zijn er stalen kolommen toegevoegd en draagbalken.

De voorzijde van de kazerne aan de Oudestraat kent een nagenoeg ongewijzigd gevelbeeld, aan de achterkant is meer veranderd. Een aanbouw werd gesloopt en de vrijgekomen gevel gepleisterd. De voormalige exercitieloods werd, op de gevel aan de Buiten Nieuwstraatzijde na, gesloopt. Tegen deze gevel is een nieuwe loods gebouwd voor een deel van de collectie van het stadsarchief. Het schoolgebouw dat na protesten niet werd gesloopt, zal met subsidie van de gemeente Kampen verbouwd worden tot woongebouw. Daartoe zal het gebouw overgaan in handen van BOEi, die het zal laten restaureren 'met behoud van karakter'.

Geschiedenis

De oorsprong van de kazerne ligt bij diverse burgerhuizen aan de Oudestraat. De noordelijke vleugel van de kazerne is daarmee het oudste deel. Volgens een document gestart als woonhuizen die in 1810 door de gemeente aangekocht zijn, volgens een andere bron als pakhuizen die in 1807 aangekocht werden. Deze opstallen werden in de loop der jaren steeds verder uitgebreid met de aankoop van belendende percelen. Kampen wilde graag garnizoensstad worden en maakte dit mogelijk met deze aankopen, die uitgroeiden tot een kazerne met een complexe plattegrond die grotendeels ingeklemd staat tussen de overige bebouwing. In 1817 was het complex zodanig groot dat het 250 man onderdak kon bieden. Met de uitbreidingen aan de achterzijde in 1830 en 1837 werd het mogelijk om er 600 man te huisvesten.

In 1814 werd in Kampen het 3e Bataljon Landmilitie opgericht. In 1814 en 1815 werd het 14e Bataljon Infanterie van Linie in Kampen ondergebracht en 1817 voor korte tijd het Depot Eskadron van de Afdeling Kurassiers nr 3. Van 1817 tot 1829 was er het 1e Bataljon van de 7e Afdeling Infanterie gelegerd, dat opgevolgd werd door het 3e Bataljon van dezelfde afdeling tot 1838. Kampen verloor met de inkrimping van het leger zijn garnizoen en in 1839 kwam de kazerne leeg te staan. In 1844 werd hij verhuurd aan het Rijk en als Rijks-Entrepot gebruikt. Kampen wilde weer garnizoensstad worden en in 1850 kwam deze status in zicht toen bekend werd dat het Instructiebataljon er gehuisvest zou worden.

 
Studerende militair (foto: Collectie Frans Walkate Archief/SNS Historisch Centrum)  

In 1851 ging in de kazerne het Instructie-bataljon (IB) van start, dat voortaan het lagere infanteriekader voor het Nederlandse en Nederlands-Indisch leger zou opleiden. Voorheen gebeurde dit verspreid over de depotbataljons van de infanterieregimenten. Als gecentraliseerde opleiding zou het IB een belangrijke verhoging van de kwaliteit van onderofficieren bij de infanterie betekenen. Het IB nam jongens tussen de 16 en 18 jaar aan, gezond van lijf en leden en goed kunnende lezen en schrijven. Tevens werden soldaten en korporaals tot de opleiding toegelaten van wie hun commandant een hoge verwachting had. Al snel was het IB een succes, tot en met december 1855 waren er 1677 jongens als rekruut aangenomen.
Het IB leverde ook officieren en was daarmee een alternatief voor de directe opleiding daartoe aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Wie officier wilde worden kon in Kampen eerst de opleiding tot onderofficier volgen en aansluitend via de Hoofdcursus verder studeren tot de officiersrang bereikt was. De Hoofdcursus, die zetelde in de eveneens in Kampen gelegen Koornmarktkazerne, was ook een populaire route voor dienende onderofficieren die officier wilden worden. Wie in Kampen officier werd, kon de hoogste rangen bereiken. Een krantenartikel uit 1938 vermeldt dat er tot dan toe 90 generaals hun carrière in Kampen waren begonnen. De bekendste was generaal van Heutsz. Een andere bekende Nederlander, minister-president Hendrik Colijn, was ook bij het IB opgeleid.

Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 en de mobilisatie van het Nederlandse leger sloot het IB op 2 augustus 1914 haar deuren en vertrokken de leerlingen en het opleidingskader naar hun mobilisatiebestemmingen. De duur van de mobilisatie noopte in 1915 al tot heropening van de kaderopleiding en op 1 mei dat jaar ging het IB weer van start.
Na de Eerste Wereldoorlog werd het leger fors ingekrompen en in 1922 volgde een laatste, grote reorganisatie die voor velen van het beroepskader ontslag betekende. De kleinere behoefte aan kader betekende sluiting op 1 oktober 1924 van het IB. Ook de Hoofdcursus werd opgeheven en in augustus 1928 definitief beëindigd. De kazerne kwam niet leeg te staan en huisvestte tussen 1924 en 1940 de School Reserve Officieren Infanterie.

Met een grootscheepse reünie werd in 1938 het IB herdacht en 800 oud-leerlingen marcheerden door Kampen met op de eerste rij de commandant van het veldleger luitenant-generaal baron van Voorst tot Voorst en minister-president Colijn, die in een toespraak Van Heutsz eerde waarna de kazerne naar zijn beroemdste leerling werd vernoemd. Voor die tijd had de kazerne diverse namen gehad. Het oudste gedeelte werd enige tijd Stadscaserne genoemd, niet veel later kwam Kazerne in de Buitenhoek of Buitenkazerne in zwang, na een grote uitbreiding Nieuwe Kazerne.

Tussen 1940 en 1945 zal de kazerne ongetwijfeld door de Duitse bezetter gebruikt zijn, maar onbekend is welke eenheden dit betrof. Eind 1944 diende de kazerne als onderkomen voor mannen uit West-Nederland die voor arbeidsinzet naar Duitsland gestuurd zouden worden. Na de bevrijding tot april 1946 werden er 'foute' Nederlanders ondergebracht. Hierna werden er militairen opgeleid voor de inzet in Nederlands-Indië. Tussen 1949 en 1951 bood de kazerne onderdak aan de 2e Centrale Opleiding Administratief Kader (COAK), die onder het Korps Militaire Administratie viel. In 1951 maakten zij plaats voor het Artilleriemeetregiment, dat in 1951 hernoemd werd tot 101 Artilleriemeetafdeling, die na een reorganisatie in 1962 onder de naam 101 Meetbatterij verder ging. In 1963 verliet deze eenheid Kampen en werd opgevolgd door het 2e COAK, dat de laatste militaire gebruiker zou zijn en in 1973 de kazerne zou verlaten. Daarmee hield Kampen op garnizoensstad te zijn.

De gemeente Kampen die het complex in eigendom had vond in de loop der jaren verschillende gebruikers voor de kazerne. Allereerst vonden de opslag van een uitgever en een bejaardensociëteit er onderdak. In 1976 voor langere tijd opgevolgd door de Christelijke Sociale Academie. In 1981 trok de Christelijke Academie voor Journalistiek hierbij in.
In 1982 brak er brand uit en een deel van de zolder en eerste verdieping werd zwaar beschadigd. Het duurde tot 1984 tot beide academies het complex weer konden gebruiken. In 2004 kwam een einde aan beide opleidingen in Kampen en kwam de kazerne leeg te staan.
De kazerne ging over in handen van wooncorporatie deltaWonen die het complex wilde verbouwen tot appartementen. Dit plan werd niet uitgevoerd. Er moest toch iets gebeuren met het markante gebouw dat monumentstatus heeft. De huidige invulling als verzamelgebouw voor deels culturele en gemeentelijke instellingen is de uitkomst van een zoektocht naar een nieuwe bestemming.

De naamgever

 

Joannes Benedictus van Heutsz werd op 3 februari 1851 in Coevorden geboren als zoon van een artillerieofficier. Op zestienjarige leeftijd ving hij zijn militaire carrière aan met de opleiding bij het Instructie Bataljon te Kampen. In 1870 werd hij in de functie van foerier bij de infanterie geplaatst en in 1872 benoemd tot tweede luitenant. Op eigen verzoek werd hij in 1873 overgeplaatst naar Nederlands-Indië, de enige plek destijds waar voor een Nederlands militair eer te behalen viel. Het westen van Sumatra, Atjeh, verzette zich tegen opname in het koninkrijk en diverse campagnes verliepen moeizaam. Van Heutsz diende bij de infanterie en verwierf in 1875 de Militaire Willemsorde vierde klasse. In 1877 werd hij adjudant bij het civiel en militair bestuur te Soerabaja, om in 1880 en 1881 weer als luitenant te Atjeh te dienen. Voor een periode van twee jaar keerde hij terug naar Nederland om de Hogere Krijsschool te kunnen volgen. Na terugkeer naar Nederlands-Indië volgde diverse plaatsingen als garnizoenscommandant en promoties.

Van Heutsz bepleitte in een brochure militaire onderwerping en dan pas vestiging van civiel gezag voor Atjeh. Van Heutsz' ster rees snel en in de rang van generaal-majoor werd hij benoemd tot civiel en militair Gouverneur van Atjeh, onder zijn leiding werd tussen 1898 tot 1904 het laatste verzet gebroken. De methoden die hierbij gebruikt werden maakten Van Heutsz in later jaren een omstreden militair.
Als beloning voor het succes in Atjeh werd hij in 1904 benoemd tot Gouverneur Generaal van Nederlandsch-Indië, de hoogste post binnen het koloniale bestuur. In 1909 keerde Van Heutsz terug naar Nederland, vanwege gezondheidsredenen woonde hij vanaf 1922 in Zwitserland. Daar overleed hij op 11 juni 1924 en werd er begraven. Drie jaar later werd zijn stoffelijk overschot naar Nederland gebracht waar hij in Amsterdam een staatsbegrafenis kreeg.

Overig

De kazerne is voorbeeld van een praktijk die tot midden 19e eeuw veelvuldig voorkwam: burgerbebouwing die uitgroeide tot een militair gebouw of complex. Kazernes mochten tot 1872 niet buiten de omwallingen van vestingsteden gebouwd worden en binnen de steden was maar beperkt ruimte. De kazerne startte als samenvoeging van enkele burgerhuizen om na verwerving van naast- en achtergelegen panden en grond, uit te groeien tot het complex van later jaren.
Vanaf de kant van de Oudestraat toont de kazerne zich als een met een a-symetrische U-vormige plattegrond. De ogenschijnlijk gelijke gevels, de gelijke dakhoogten en kroonlijsten en de dakhellingen van de huidige kazerne aan de kant van de Oudestraat maken dat het gebouw hier als een geheel overkomt. Het is echter de samenvoeging van vier aparte bouwdelen. De noordvleugel, de rechterpoot, bestaat uit twee delen die na het optrekken van nieuwe gevels en nieuwe kappen in 1844 een geheel vormt. Op de plaats van het middenstuk stond een manege, deze is waarschijnlijk gesloopt waarna de middenbouw in 1851 opnieuw werd opgetrokken. De linkerpoot grenzend aan de Botervatsteeg werd in 1853 opgetrokken nadat enkele burgerhuizen waren aangekocht en gesloopt.
Belangrijke nieuwbouw aan de achterzijde, aan de Buiten Nieuwstraat, verrees in 1860 met de bouw van een 'wapenmagazijn en reinigingslokaal' met 28 badhokjes. De exercitieloods waarvan heden ten dage alleen de gevel aan de Buiten Nieuwstraat nog rest, dateert mogelijk uit 1856. In 1876 werd het laatste grote toevoeging aan het complex gedaan met de oplevering van het schoolgebouw.

In de loop de jaren is uit- en inwendig veel gewijzigd aan de kazerne, gevels werden uniform evenals dakbedekking, er werden aan de voorzijde drie toegangspoorten dichtgezet en de muur die de voorste binnenplaats van de Oudestraat afscheidde werd vervangen door hekwerk. Ramen werden vergroot of nieuw in bestaande gevels gehakt.De kazerne werd hierdoor een licht verwarrend geheel met een complexe plattegrond en daarmee een gaaf exemplaar van een haast organisch gegroeide kazerne. De kazerne heeft de status van rijksmonument.