Overzicht van ontwikkelingen in kazernebouw


Kazernes ontwikkelden zich in de loop van eeuwen van eenvoudige soldatenhuizen tot uitgebreide complexen. Deze ontwikkeling volgde uit militair-politieke gronden, gewijzigde opvattingen over organisatie, hygiëne en voortschrijdende wapen-technologie. Op deze pagina zal met de op de website beschreven kazernes een overzicht worden geschetst van de ontwikkeling van kazernebouw in Nederland. Hierin vallen drie belangrijke periodes aan te wijzen, die uitgebreid op de overige pagina's onder Architectuur worden behandeld. Deze pagina is hiervoor geen vervanging maar kan als inleiding worden gebruikt.

Wat is een kazerne? Er zijn meerdere definities; een soldatenhuis of gebouw voor de huisvesting van soldaten. Omdat dit te beperkt is zal hier zal als definitie worden gebruikt: een permanent gebouw of gebouwencomplex dat dient voor de huisvesting van militairen en alle voor de dienst en huisvesting noodzakelijke en ondersteunende faciliteiten. De kazernes die op Je oude kazerne nu worden beschreven geven een goed overzicht van kazernebouw tussen 1810 en 1953. Een belangrijke periode maar bewust beperkt. De opzet van de website was kazernes te beschrijven waar nu nog levende (oud-)militairen een herinnering aan hebben. De kazernes die gebouwd zijn na 1953 zijn nog in gebruik en daarom niet opgenomen. De verwijzingen naar kazernes beperken zich dan ook tot de periode 1810-1953. Als een kazernenaam in vet wordt vermeld, dan is dit een actieve link naar de bijhorende fotogalerij.

Vroege kazernebouw

Het oudst bekende voorbeeld van kazernebouw in Nederland waren de barakken op fort Noordam uit 1577 bij Steenbergen. Mogelijk eenvoudige onderkomens die snel konden worden opgetrokken en van hout en/of vlechtwerk waren gemaakt volgens de toen meest gebruikte bouwmethoden. Bij slot Loevestein werden in 1589 vijftien dubbele hutten van steen voor soldaten gebouwd. Deze onderkomens bestonden uit een vertrek met een stookplaat, een keldertje en mogelijk een kleine zolder. In 1730 kwamen ter vervanging veertien nieuwe barakken gereed die deels nog bestaan. Een ander voorbeeld van vroege kazernebouw vormden de kananonniersbarakken in Nieuweschans, bouw rond 1628, waarvan er een resteert.

 
De kanonniersbarak in Nieuweschans is, hoewel in de loop der jaren veelvuldig verbouwd, mogelijk het oudste kazerne-gebouw van Nederland.  

Deze twee laatste voorbeelden hebben een opzet die overeenkomsten vertoont met de in 1685 in Frankrijk ingevoerde standaardkazerne die door de vestingbouwer Vauban werd ontworpen. Vauban ontwierp een lineaire kazerne, een lang blok met hierin kamers die hun toegangen hadden in de langsgevels. De kamers op de bovenverdieping konden worden bereikt via inpandige trappen, gangen ontbraken. Dit ontwerp werd later verbeterd. Nederlandse kazernes uit de 18e eeuw en ook nog later, lijken door het ontwerp van Vauban beïnvloed. Onduidelijk is de mate van invloed van de vroegere barakkenbouw op deze kazernes en de invloed van de barakkenbouw op het ontwerp van Vauban. Van dit type kazerne resteren er niet veel in Nederland, in Den Bosch staat de Mortelkazerne uit 1744 met een opzet die aan het Vaubanontwerp doet denken. In Amsterdam resteert de in de Franse tijd verrezen en grootste Vaubankazerne ooit gebouwd: de Oranje-Nassaukazerne.

De 19e eeuw

Na het vertrek van de laatste Franse troepen uit Nederland in 1814 werden er nog wel enkele lineaire kazernes gebouwd, maar een ander type kazerne, de vierkante kazerne, zou jarenlang het meest gebouwde ontwerp zijn. De vierkante kazerne is een massief aandoend vierkant bouwblok met een binnenplaats. In Den Bosch rest de Citadelkazerne, in Leeuwarden de Prins Frederikkazerne. Dit type kazerne, dat net als ieder ander type uit die tijd een ongezonde verblijfplaats was voor haar bewoners, was niet het enige type dat werd gebouwd. Er werden ook symmetrische en a-symmetrische U-vormige kazernes gebouwd. Een voorbeeld van het laatste type vormt de Boreelkazerne in Deventer. Een voorbeeld van het symmetrische type lijkt de Havenkazerne in Schoonhoven te zijn. Deze is echter ontstaan door uitbreiding van bestaande bebouwing.

Militairen werden van oudsher ondergebracht binnen de ommuring van steden waar maar mogelijk was. Uit burgerbebouwing als woonhuizen, pakhuizen, niet meer gebruikte kerken of kloosters ontstonden kazernes. Deze kazernes blijven in veel overzichten achterwege omdat ze niet als zodanig ontworpen en gebouwd zijn. Een bekend voorbeeld is de Kloosterkazerne in Breda. Eveneens ontstaan uit burgerbebouwing maar door allerlei verbouwingen en nieuwbouw niet meer als zodanig herkenbaar is de Van Heutszkazerne in Kampen.

 
  Lineair met achtervleugels, de JWF-kazerne in Ede.

Vanwege de Vestingwet uit 1874 die het steden toestond om buiten hun omwallingen en stadsmuren uit te breiden en het feit dat de financiering van nieuw te bouwen kazernes voortaan door het Rijk zou gebeuren en niet meer door gemeenten, ontstond een nieuwe situatie. Vierkante kazernes werden niet meer gebouwd. Uit Frankrijk kwam een nieuw type kazerne dat voortborduurde op het lineaire ontwerp van Vauban. Dit type standaardkazerne wordt aangeduid als type du genie, in gewoon Nederlands als lineaire kazerne.


De eerste kazerne van dit type verrees in Haarlem, de Ripperdakazerne. Deze kazerne die voor de cavalerie werd gebouwd kent stallen, maneges en magazijnen en vormt veel meer dan de vroegere kazernes een complex. Dit kazernetype wordt naar zijn hoofdgebouw, een lang en twee of drie verdiepingen hoog monumentaal overkomend gebouw als geheel aangeduid als lineaire kazerne. In Haarlem verrees een lineair hoofdgebouw in deze vorm, niet veel later volgde een variant waarbij het hoofdgebouw vier achtervleugels kreeg (uitzonderingen: in een geval drie en een ander geval zelfs vijf achtervleugels), die dwars op de grootste bouwmassa stonden. Een gaaf voorbeeld dat grotendeels werd terug gerenoveerd naar de toestand tijdens de bouw vormt de Johan Willem Friskazerne uit 1906 in Ede. Het lineaire type met achtervleugels zou in de periode van 1877 tot en met 1906 het meest gebouwde zijn.

Onder invloed van de discussie over de bestaande praktijk van kazernebouw en de daarmee samenhangende ongezonde legering, die tot veel ziekte en ook sterfte onder soldaten leidde, zette zich een ontwikkeling in gang naar het paviljoensysteem. Niet langer werden de meeste functies als legering, burelen, leslokalen, wachtruimten, ziekenverblijven, kantine en keuken ondergebracht in een groot gebouw. Deze functies werden nu in kleinere, gespecialiseerde gebouwen ondergebracht. Deze gebouwen werden als paviljoens meestal rond een centraal exercitieterrein geplaatst. Twee in Ede gebouwde kazernes, de Van Essen- en de Arthur Koolkazerne uit 1908 worden met hun hoofdgebouwen met H-vormige plattegrond als overgangsvorm beschouwd. Niet veel later werden in de jaren 1911 tot en met 1913 in hoog tempo zeven kazernes opgeleverd die volgens het paviljoessyteem waren opgezet. De Utrechtse Kromhoutkazerne is met zijn heldere en ruime plattegrond een sprekend voorbeeld. Het paviljoensysteem zou vanaf toen het leidende ontwerpprincipe zijn.

Het Interbellum

 
Legeringsgebouwen op de Willem de Zwijgerkazerne.  

Na de Eerste Wereldoorlog werd het leger sterk ingekrompen, een ontwikkeling die men later zou betreuren. Kazernes werden er tijdenlang niet gebouwd, totdat het ook in Nederland doordrong dat een gewapend conflict meer dan waarschijnlijk was. In 1937 werd besloten de dienstplicht te verlengen en meer soldaten op te roepen voor eerste oefening. Omdat er te weinig kazernes waren, volgde een ware bouwgolf. De infanterie kreeg er zestien nieuwe kazernes bij. Het hoofdontwerp hiervoor werd gemaakt onder verantwoording van kapitein A.G. Boost van de genie. Onder zijn leiding ontstonden ontwerpen voor een standaard bataljons- en een regimentskazerne. Voorbeelden van een bataljonskazerne zijn ondermeer in Zuidlaren, Schalkhaar en Eindhoven te bewonderen. Een redelijk intact ensemble vormt de Willem de Zwijgerkazerne in Wezep. Een voorbeeld van een regimentskazerne naar ontwerp van Boost is de Generaal de Bonskazerne te Grave.
Er werden nog acht andere kazernes gebouwd. Waren de kazernes van Boost in zakelijk-expressionistische stijl, een deel van deze ander kazernes zoals de Koning Willem I kazerne in Den Bosch is in traditionalistische stijl gebouwd. Een van deze acht kazernes loopt qua ruimtegebruik voor op de soms wat benauwde ensembles van de infanteriebataljonskazernes, de voor de motorartillerie gebouwde Simon Stevinkazerne in Ede. Zijn ruime opzet doet denken aan naoorlogse kazernebouw.
Tijdens de oorlogsjaren zou onder Duitse leiding verder worden gebouwd. Zo werd de Willem Georg Frederikkazerne in Harderwijk door hen afgebouwd in de zogenaamde Heimatstil.

1950 tot heden

 
  Legeringsgebouw op de Winkelmankazerne (Nunspeet).

Na de Tweede Wereldoorlog werd een nieuw kazernebouwprogramma gestart waaruit zes grote standaardkazernes ontstonden. Deze kazernes waren veel groter dan die van voorheen, geschikt voor de huisvesting van 3000 man en gebouwd in de buurt van oefenterreinen buiten de bebouwde kom van de gemeenten waar zij verrezen. Vanwege het huidige beroepsleger en de andere eisen die vandaag de dag aan legering worden gesteld, zijn deze en andere kazernes in een aantal gevallen sterk gewijzigd en aangevuld met nieuwbouw. De Tonnetkazerne in
't Harde werd grotendeels gesloopt waarna nieuwbouw verrees. De Winkelmankazerne in Nunspeet werd geheel gesloopt. Voor een idee hoe deze kazerne er uitzag: kijk in de historische fotogalerij onder archief. Nog twee andere grote kazernes werden begin jaren vijftig gebouwd, de Generaalmajoor Kootkazerne in Stroe en de Legerplaats Oirschot.

Een proces dat nog niet genoemd is: verstening. Een deel van de kazernes is ontstaan uit kampen met deels houten barakken die later werden vervangen door stenen gebouwen. Voorbeelden hiervan zijn Kamp Nieuw Millingen, Kamp Holterhoek in Eibergen en Legerplaats Budel. Ook de Harskamp is hiervan een voorbeeld en draagt tegenwoordig deels de naam Generaal Winkelmankazerne. Het onderscheid tussen een kamp en een kazerne is een kwestie van definitie. Ook het woord legerplaats, waarmee in eerste instantie vooral de grote naoorlogse kazernes werden aangeduid tot hun naamgeving, houdt uiteindelijk niets anders in dan wat het woord kazerne ook beschrijft. Alleen de schaalgrootte zou anders zijn. Het begrip kazerne wordt vaag als Defensie kantoorgebouwen gaat aanduiden als kazerne. In Amsterdam bestond een tijdlang de Kolonel Sixkazerne. In Utrecht werd de U-vormige Knoopkazerne afgebroken en vervangen door een kantoortoren met dezelfde naam. De legeringsmogelijkheden in deze kazernes waren minimaal.

 
Modern legeringsgebouw in Schaarsbergen.

 

Na 1953 verminderde het aantal nieuw te bouwen kazernes aanzienlijk. Bouwactiviteiten betroffen meestal de vervanging van gebouwen op bestaande kazernes, extra legeringsgebouwen of de bouw van bedrijfsmatige opstallen als onderhoudsgarages.
Uitzonderingen hierop zijn de reeds genoemde Knoopkazerne (anno nu afgestoten en gedeeltelijk gesloopt), de Willem Lodewijk van Nassaukazerne in de Lauwersmeer, de door nieuwbouw vervangen Engelbrecht van Nassaukazerne in Roosendaal, de bouw van een kantorenpark op het terrein van het gesloopte deel van de Kromhoutkazerne in Utrecht en (in voorbereiding) de Michiel Adriaanszoon de Ruyterkazerne in Vlissingen voor het Korps Mariniers.